Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AX6445

Datum uitspraak2006-04-26
Datum gepubliceerd2006-06-01
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureVerzet
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/279 WW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verzet. Termijn betaling griffierecht.


Uitspraak

05/279 WW U I T S P R A A K met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen: [opposante], wonende te [woonplaats], opposante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, geopposeerde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij uitspraak van de Raad van 7 september 2005 is het namens opposante ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 9 december 2004, reg.nr. 04/1823, niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak heeft mr. M.A. Wellen, advocaat te Arnhem, namens opposante een verzetschrift ingediend. II. MOTIVERING De uitspraak van de Raad van 7 september 2005 steunt kort samengevat hierop, dat het bij het instellen van het hoger beroep ingevolge artikel 22 van de Beroepswet verschuldigde griffierecht van € 102,-- niet binnen de door de laatstelijk aangetekend verzonden brief van 23 maart 2005 gestelde termijn van vier weken is betaald en dat op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat opposante niet in verzuim is geweest. Naar aanleiding van het verzet heeft de Raad een nader onderzoek ingesteld. Daaruit is gebleken dat het griffierecht op 29 maart 2005 is betaald, en daarmee tijdig. Het verzet dient daarom gegrond te worden verklaard. Gelet op artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55, derde lid, eerste volzin, van de Awb, kan de Raad uitspraak doen zonder zitting. Ter voorlichting van partijen wijst de Raad erop dat, gelet op artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55, zevende lid, van de Awb, als gevolg van de gegrondverklaring van het verzet de uitspraak van 6 september 2005 vervalt en het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart het verzet gegrond. Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen in tegenwoordigheid van P.N. Rijnsewijn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 april 2006. (get.) M.A. Hoogeveen. (get.) P.N. Rijnsewijn.